Een familie-mythe bevestigd
Wie kent ze niet in zijn familie,
de verhalen die zich in het oude Indië afspelen. Als kind luisterde ik ademloos
naar de verhalen van mijn grootouders en ouders: de jacht op krokodillen of
tjelengs, de wreedheid van de Japanse bezetter, de motortochten over Java of de
venduties van overgrootvader Meijer. Na afloop stelde ik, tegen
beter weten in, enkele aanwezigen die vlakbij de Candi woonden, de vraag of ze
weleens hadden gehoord van een grote stenen olifant midden in het bos. Misschien
was die vroeger overgebracht naar Trowulan? Ze wisten meteen wat er bedoeld werd,
de olifant stond volgens hen nog steeds in Paree! Of ze konden zeggen waar dan
precies?
De stenen olifant van Paree
(geschreven door Rob van de Ven Renardel de Lavalette)
(dit artikel is eerder verschenen
in Moesson, 42e jaargang, nummer 12, juni 1998)
Vaak leken het wel sterke verhalen uit een
andere wereld. Sommige verhalen werden steeds weer verteld en kregen een
enigszins mythische lading. Maar de ervaring leert dat mythes vaak een kern van
waarheid bevatten. Een van die mythes betrof mijn overgrootvader, Leendert
Albert van de Ven Renardel de Lavalette, waarover niet zoveel bekend is. Geboren
in Probolinggo in 1872, studeerde hij tussen 1890 en 1894 aan de landbouwschool
in Wageningen en specialiseerde zich daarna in de tropische bosbouw. Hij werd
houtvester, later opperhoutvester, in diverse houtvesterijen in Oost-Java:
Kediri, Bloeloek, Rembang en Blitar. Zo was hij rond de eeuwwisseling houtvester
in het gebied rond Paree.
Op een goede dag reed hij met zijn bendy op inspectie in de uitgestrekte
djatiwouden rond Paree en botste hij met de wielen van zijn bendy op een
hinderlijk uit de grond stekend stuk rots of steen. Dit irriteerde hem op een
gegeven moment dusdanig, dat hij de steen wilde laten verwijderen. Bij het
uitgraven echter, bleek deze rots een in steen uitgehouwen olifant te zijn, een
overblijfsel uit het tijdperk van het rijk majapahit (1292-1527). Mijn vader
(1932) hoorde dit verhaal weer in zijn jeugd vertellen en hij heeft eens, als
kind bij een bezoek aan Paree, dit beeld gezien en toen het verhaal van de
ontdekking door zijn grootvader vernomen. Later vertelde hij dit verhaal uit het
oude Indië weer aan zijn kinderen. Die vonden het wel een leuk verhaal. Maar
waar?
Op 20 februari dit jaar, tijdens een nostalgia-tour door Oost-Java waarbij wij
huizen, graven en scholen uit ons familieverleden wilden bezoeken, bezocht ik
met mijn vader in Paree de Candi Tegowangi.
Na bezichtiging van de resten van deze tempel zouden we op weg gaan naar het
oudheidkundig museum in Trowulan, Kediri, om er wat resten van bouwsels uit de
periode van het rijk van Majapahit te bezichtigen.
Na veel via-via en terug rijden naar Paree, was een inwoner aldaar genegen ons
verder te leiden. Hij wist het ook niet precies, maar elke inwoner die hij
daarna de weg vroeg, leek ervan gehoord te hebben. Met veel vragen links en
rechts kwamen we uiteindelijk in een kleine desa, Watugedeh, terecht en vandaar
ging de omgeving geleidelijk over in djatibossen, waar eens mijn overgrootvader
houtvester was geweest.
Links en rechts in de bossen waren sprokkelende bewoners te zien, waarvan
er een op onze vraag of hij wist van een stenen olifant, prompt zijn lading van
de fiets gooide en ons in ons hobbelende autobusje, op zijn fiets vooruit ging.
Na verloop van tijd verscheen ineens, op een open, verdiepte en eenzame plek
ergens in het bos, onder een bladerdak, een groot stuk steen, bij nader inzien
een beeld, van een grof uitgehakte olifant, met daarnaast uit dezelfde steen
gehouwen, een olifantenjong en aan de andere zijde een vrouw of kind, ook uit
dezelfde steen gehouwen.
Wat een sensatie om zo onverwachts het onderwerp van een jeugdverhaal
daadwerkelijk te ontmoeten! Mijn vader mompelde bij dit weerzien: ‘Hij is het
inderdaad’. Te zien aan de offeranden aan de voet van het beeld, werd deze nu
door de bevolking aanbeden. Een familie-mythe was hiermee bevestigd. In
gedachten probeerde ik me voor te stellen hoe zo’n honderd jaar geleden mijn
overgrootvader als jonge houtvester dit beeld ontdekt moest hebben. Zou het
verhaal over de ontdekking waar zijn geweest?
Toen ik het beeld betastte en beklom was er even een moment waarop we het gewoon
hadden over ‘onze olifant’! Mijn overgrootvader zou eind 1946 als gepensioneerd
opperhoutvester vermist raken in Blitar, en onbekend is wat hem aldaar (kamp
Tlogo) is overkomen.

|
|
|
|
(Uit: Nieuw Rotterdamsche Courant, maandag 11 januari 1926, Avondblad A)
:
Hindoe-oudheden
|